Actueel ChatGPT, mijn nieuwe stagiair (die ik toch maar niet laat procederen)
Er waart een nieuw spook door juridisch Nederland: het heet Artificial Intelligence (AI). Of preciezer: de chatbot die tegenwoordig als eerste wordt gebeld, nog voordat een advocaat wordt geraadpleegd.
Steeds vaker krijg ik e-mails met zinnen als: “Hierbij alvast het concept verzoekschrift. Graag alleen nog even juridisch checken.” Alleen nog even. Wat volgt is meestal geen “even”. Wat volgt is een document van te veel pagina’s, voorzien van kopjes als ‘Inleiding’, ‘Feitenrelaas’, ‘Rechtsgronden’ en (één van mijn persoonlijke favorieten) ‘Grove schending van fundamentele beginselen van redelijkheid en billijkheid in het licht van internationale verdragen’.
Ik begrijp het hoor. Het idee is sympathiek (denk ik): “Als ik alvast het voorwerk doe met AI, dan bespaar ik tijd en dus geld.” Dat klinkt logisch. Net zoals het logisch klinkt om zelf alvast je kies te trekken met een YouTube-filmpje om de tandartsrekening te drukken.
In de praktijk is het anders. De stukken zijn vaak wollig, juridisch (net-)niet op orde, stellig waar ze twijfelend moeten zijn en twijfelend waar ze juist stellig moeten zijn. Ik schrap soms meer dan de helft. Niet omdat ik vervelend wil zijn, maar omdat een diepgaand juridisch betoog over schending van de arbeidsomstandighedenwet zelden nodig is bij een discussie over werktijden of koffiepauzes.
“En dat kost tijd. En tijd kost geld. Ironisch genoeg precies wat men wilde besparen”
Het wordt nóg interessanter wanneer ook de wederpartij enthousiast aan het prompten is geslagen. Dan ontvang ik een verweerschrift waarin elk denkbaar juridisch begrip is opgenomen, alsof iemand alle artikelen uit het Burgerlijk Wetboek, de Wet op de Ondernemingsraden én de cao-regels tegelijk heeft gekopieerd. En ja, dan moet ik overal op reageren. Ook op passages die juridisch net zo relevant zijn als uitgebreid citeren uit internationale verdragen bij een eenvoudige loonvordering. Dat kost tijd. En tijd kost geld. Ironisch genoeg precies wat men wilde besparen.
“Maar het stond zó overtuigend geformuleerd!” Dat is misschien wel het grootste probleem: AI schrijft met groot zelfvertrouwen. Het klinkt allemaal indrukwekkend. Alsof het waar móét zijn. Maar goed juridisch advies bestaat niet alleen uit antwoorden geven. Het bestaat vooral uit grenzen aangeven. Uit zeggen:
“Dit kan niet.” “Dit is riskant.” “Dit gaat u waarschijnlijk verliezen.” Een chatbot zegt zelden: “Dit moet u vooral niet doen.” Gevolg? Werknemers nemen alvast ontslag, werkgevers sturen een ferme ingebrekestelling of ontbinden een contract, en bellen daarna pas een advocaat. Tegen die tijd is de tandpasta al uit de tube.
“Denk vooral zelf ook nog even na”
Ook de rechtspraak ziet het fenomeen. In december oordeelde de Rechtbank Oost-Brabant dat het indienen van ondermaatse, door AI geproduceerde processtukken zonder controle kan neerkomen op misbruik van procesrecht. Met andere woorden: “U mag best technologie gebruiken, maar denk vooral zelf ook nog even na.” Een wijze boodschap, al zeg ik het zelf.
Begrijp me goed: ik ben niet tegen AI. Integendeel. Ik gebruik het zelf ook – als hulpmiddel. Als sparringpartner. Als digitale stagiair die nooit koffie haalt maar wel snel een eerste opzet maakt van bijvoorbeeld een concept beëindigingsovereenkomst of ontslagbrief. Maar zoals bij elke stagiair geldt: ik lees alles na. Grondig. AI is een prachtig hulpmiddel. Geen vervanger van juridisch vakmanschap. Het verschil zit ’m niet in mooie zinnen, maar in ervaring, nuance en het vermogen om te zeggen: “Dit moet anders.”
Dus beste cliënt: wilt u AI gebruiken? Graag zelfs. Maar zie het als een kladblok. Niet als uw nieuwe advocaat. Die functie is voorlopig nog niet geautomatiseerd.