Arbeidsrecht Hoge Raad: verplichte advocatenscholing altijd voor rekening van de werkgever
De Hoge Raad heeft duidelijkheid gegeven over de geldigheid van studiekostenbedingen in de advocatuur. Een dergelijk beding houdt in dat een werknemer bij beëindiging of ontslag verplicht is studiekosten terug te betalen die een werkgever voor hem heeft gemaakt.
Een advocaat-stagiaire wordt voorwaardelijk op het tableau ingeschreven als advocaat zolang deze niet beschikt over een stageverklaring. Als de advocaat-stagiaire binnen in beginsel drie jaar geen stageverklaring verkrijgt wordt deze van het tableau geschrapt. Voor het verkrijgen van de stageverklaring is vereist dat de stagiaire beschikt over het certificaat beroepsopleiding. Dit certificaat wordt verstrekt als de stagiaire aan alle
opleidingsverplichtingen heeft voldaan en alle vereiste toetsen met goed gevolg zijn afgelegd.
Volgens de Hoge Raad valt de beroepsopleiding onder scholing die noodzakelijk is voor de functie van advocaat. Op grond van artikel 7:611a BW moet de werkgever de stagiaire in staat stellen deze opleiding te volgen (lid 1) én de kosten volledig dragen (lid 2). Afwijkende afspraken zijn nietig.
Het oordeel beperkt zich niet tot stagiaires. Ook de verplichte jaarlijkse opleidingspunten voor advocaten vallen hieronder en hiervan kan niet worden afgeweken op grond van artikel 7:611a lid 4 BW. Werkgevers moeten dus alle advocaten die bij hen in dienst zijn kosteloos in staat stellen aan hun wettelijke opleidingsverplichtingen te voldoen.
De uitspraak onderstreept dat de financiële verantwoordelijkheid voor verplichte scholing volledig bij de werkgever ligt. Het is dus niet vanzelfsprekend dat een studiekostenbeding standhoudt, de kans op nietigheid is groot.
Tekst: Jessica den Hertog