Door Tijmen Martens
28 december 2023

Actueel Waar gehakt wordt, vallen spaanders…

Tijdens de Coronacrisis was er een groot tekort aan mondkapjes. Mondkapjes werden daarom uit andere delen van de wereld ingekocht. Deze mondkapjes stonden centraal in een arbeidsrechtelijke kwestie bij de kantonrechter in Haarlem.

De werkgever, een Chinese onderneming, houdt zich bezig met de internationale handel in zeevruchten. In maart 2020 verzocht de werkgever een van zijn werknemers om mondkapjes in te kopen via een oud-klasgenoot in China. Deze mondkapjes werden in twee batches geleverd. Later bleek dat de mondkapjes niet naar behoren werkten en dat de bijbehorende certificaten waren vervalst.

De leverancier van de mondkapjes wilde de koopsom niet terugbetalen. De werkgever bleef achter met een forse schade van € 36.000,-. Deze schade wilde de werkgever verhalen op de werknemer in kwestie. De hoofdregel voor het verhalen van schade tijdens de uitoefening van het werk is dat de werknemer daarvoor niet aansprakelijk is, tenzij er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid (dit is neergelegd in artikel 7:661 BW). Deze hoofdregel vloeit voort uit de gedachte dat een werknemer fouten (moet) kunnen maken.

De rechter overwoog min of meer in gelijke zin. De werkneemster had de mondkapjes ingekocht in de uitoefening van de werkzaamheden. Volgens de rechter was er geen sprake van opzet of van bewuste roekeloosheid. De rechter overwoog in dat kader:
1. Dat de werknemer niet wist of had kunnen weten dat de mondkapjes ondeugdelijk waren;
2. Dat er grote (tijds)druk bestond gezien de schaarste van de mondkapjes;
3. Dat de werkgever zelf de tweede bestelling mondkapjes had gedaan;
4. Dat de werkgever zelf had kunnen besluiten om de eerste levering mondkapjes af te wachten en zo te controleren of dat hij zelf had kunnen besluiten om de eerste levering af te wachten (en te checken) voordat hij de tweede bestelling deed.

Vragen? Neem contact met ons op via info@boontje.nl

Tekst: Tijmen Martens – Olivier